Deze publicatie maakt gebruik van cookies

De Wegenwacht is jarig! Al 80 jaar is de hulpdienst het hart van ANWB. Het geheim? Blijven vernieuwen, vooruitkijken en innoveren.

We nemen je mee langs acht innovaties die de Wegenwacht maakten tot de betrouwbare, moderne en duurzame dienst van vandaag.

Verdieping

Themadossier

Van zijspan tot elektrische fiets

De Wegenwacht:
80 jaar innovatie op de weg

Op 15 april 1946 gaat de Wegenwacht met zeven zijspanmotoren van start. Niet meteen landelijk. De motoren rijden vaste routes op de grote wegen in het westen van het land.  

En met succes: ‘Als ze ’s morgens om 8 uur uit Amsterdam vertrokken, kwamen ze pas ’s avonds om 23 uur in Den Haag. Het aantal wrakke vehikels met slechte banden was enorm’, schrijft Kampioen bij het vijfjarig bestaan van de Wegenwacht. 

Er rijden dan inmiddels dik 100 zijspanmotoren door het hele land, de Wegenwacht telt al 250.000 leden. 

1946 - Het begon op Harleys

Plannen voor de Wegenwacht zijn er al voor de oorlog, afgekeken van de Britse Automobile Association. Die verricht al jaren pechhulp met zijspanmotoren in Groot-Brittannië. 

Zo’n dienst wil ANWB ook in ons land opzetten. 

Meteen na de oorlog is de tijd er rijp voor. Er is schaarste aan alles, maar ANWB kan 25 Harley Davidson-motoren van het Canadese leger overnemen. Het plaatstaal voor de zijspannen komt van gesloopte autobussen.

Uit een test met verschillende automerken en modellen komt de Citroën 2CV naar voren als meest geschikte voertuig voor het Wegenwachtwerk. De Eend is daarmee de vervanger van de zijspanmotor.

1960 - Van drie naar vier wielen

De motor met zijspan blijft tot in de jaren 60 hét dienstvoertuig. De eerste paar jaar rijden de mannen op Harleys, vanaf begin jaren vijftig op BSA’s. 

In weer en wind, zomer en winter, bikkelen ze door het land, op weg naar pechklanten. 

De meeste wegenwachten zijn trots op dat zware werk. Ze zijn dan ook niet allemaal enthousiast als de motor vanaf 1960 geleidelijk plaatsmaakt voor de auto. Die is comfortabeler en veiliger. En overigens ook nauwelijks duurder in aanschaf en onderhoud dan de motor. Bovendien kan er veel meer gereedschap mee dan op de motor.

De Wegenwachtvoertuigen krijgen een mobilofoon, waarmee ze in contact staan met Wegenwachtstation Pauwmolen bij Delft. Het station is ook verbonden met de eerste tien praatpalen langs Rijksweg 13. Het aantal hulpverleningen vanuit Pauwmolen verdubbelt in een jaar. De wachttijd voor klanten wordt verkort tot hooguit twintig minuten. 

De praatpaal krijgt in 1977 landelijke dekking, tot dik 3000 palen eind vorige eeuw. Maar door de komst van de mobiele telefoon maakt bijna niemand er meer gebruik van. In 2017 verdwijnen ze voorgoed.

1960 - Praatpaal en mobilofoon

De communicatie tussen pechhebber en wegenwacht begint na de oorlog bijna prehistorisch: met vlaggen. 

De wegenwacht rijdt vaste routes en laat met een gele vlag langs de weg zien dat hij ‘en route’ is. Sta je met pech, dan wacht je tot hij langskomt. 

Wat later doet de telefoon, vaak bij particulieren thuis, dienst als middel om pechhulp in te schakelen. In 1960 verbetert de communicatie drastisch.

1966 - Te land en ter zee

De hulp aan voertuigen met wielen staat als een huis. Maar bij de Wegenwacht denken ze verder: wat als we eens pechhulp gaan verlenen op het water?

Voorjaar 1966 begint in het Friese merengebied een proef met de Waterwegenwacht. Bij Wegenwachtstation Joure staat een boot op een trailer, die door een Wegenwachtauto naar een plek wordt gereden waar hij te water kan.

‘Of pechhulp op het water anders is dan aan land? Ja, ik loop op gymschoenen en heb een leren gereedschapstas bij me. Met mijn stalen kist maak ik krassen op het dure houten dek…’ zegt een waterwegenwacht destijds in Kampioen. 

De proef is aanleiding om tot 1990 in het vaarseizoen (april-november) in Friesland pech- en sleephulp te blijven bieden aan gestrande pleziervaartuigen. Maar in dat jaar gaat toch de stekker eruit. De hulp op het water is te kostbaar en tijdrovend, en de belangstelling houdt niet over.

1988 - Hulp voor de deur

Tegenwoordig is het heel normaal om de Wegenwacht te appen of bellen als je auto met pech voor je huis staat. Maar dat is het pas sinds 1988, het jaar waarin de Wegenwacht Woonplaatsservice aan de dienstverlening toevoegt. 

Voor die tijd is pechhulp alleen beschikbaar buiten de bebouwde kom. De reden? ANWB wil plaatselijke garages niet voor de voet lopen. 

Maar de praktijk is dat lokale garagebedrijven maar ten dele pechhulp kunnen verlenen (al was het maar vanwege hun beperkte openingstijden). 

In 1988 besluit de Wegenwacht (tegen bijbetaling) ook pechklanten binnen de bebouwde kom te helpen. De service wordt dankbaar aanvaard door de leden: tien jaar later hebben al ruim 700.000 leden hun Wegenwachtpakket uitgebreid met Woonplaatsservice. 

2016 - Het wiel dat (bijna) altijd past

Bandenpech is een van de meest voorkomende soorten pech die de Wegenwacht dagelijks verhelpt.

Maar moderne auto’s hebben vaak geen reservewiel meer aan boord, om gewicht te besparen. De plaksetjes die ze wél hebben, werken in de praktijk niet altijd goed.

Knappe koppen bij de Britse zusterclub AA bedachten daarom het universele reservewiel, dat vanaf 2016 ook in de Wegenwachtauto’s ligt. Het past op 90 procent van alle auto’s en is bedoeld als ‘thuiskomertje’, een tijdelijke noodoplossing dus.

Dat het wiel een groot succes is, blijkt al in het eerste jaar waarin het 3500 keer gemonteerd wordt. Heb je als klant bij de garage een nieuwe band laten monteren, dan lever je het universele reservewiel weer in bij een PostNL-punt, dat het retourneert aan de Wegenwacht. 

2016 - Pechhulp op de fiets

Sinds de Wegenwacht in de jaren 60 de BSA-motoren vaarwel zei, wordt pechhulp voornamelijk op vier wielen verricht. Uitzonderingen daargelaten: de motorfiets wordt soms ingezet in de grote steden – ook nu nog. 

Maar in 2016 komt voor het eerst in het bestaan van de Wegenwacht de fiets in beeld als pechhulpvoertuig.

Door het drukke stadsverkeer duurt het steeds langer om met de auto bij een pechgeval te komen. Dan is de elektrische fiets – met een aanhanger voor het gereedschap – sneller en wendbaarder. De fietswegenwachten kunnen nagenoeg dezelfde soorten pech verhelpen als hun collega’s met een auto. 

Pechklanten kijken soms wel gek op als er ineens een fiets naast hun auto staat. Na een geslaagde proef in Amsterdam en Den Haag komen er ook fietswegenwachten in Utrecht, Rotterdam, Groningen en Nijmegen.

2026 - Op naar de 100

80 jaar en nog lang niet oud, de Wegenwacht is misschien wel de kwiekste senior van Nederland.

Hoe je zo fit oud wordt? Door te blijven bewegen en steeds vooruit te kijken naar de toekomst. Dat doet de Wegenwacht continu. 

Zo wordt het wagenpark in de komende jaren verder verduurzaamd. Op dit moment is al bijna een derde van de duizend Wegenwachtvoertuigen elektrisch. Beter voor het milieu en noodzakelijk om ook op termijn pechhulp te blijven bieden in de stadscentra. Op de meeste Wegenwachtstations in het land staan laadstations op zonnepanelen om dat groeiende elektrische wagenpark van groene stroom te voorzien. 

En op de échte verjaardag van de Wegenwacht, 15 april, opent in Utrecht het Wegenwacht techniekplein, bedoeld om alle wegenwachten voortdurend op te leiden, bij te scholen en op de hoogte te houden van de nieuwste technieken.

Zo blijft de Wegenwacht al 80 jaar jong. Op naar de 100! 

80 jaar Wegenwacht vieren we met een ­speciale tentoonstelling. Van 8 mei tot 1 november zijn historische Wegenwachtvoertuigen te zien in de hal van het Visscher Classique Museum in Buren. Het museum is open van donderdag tot en met zondag van 10 tot 17 uur. Een ticket kost normaal € 16 en geeft ook toegang tot de vaste collectie. ANWB-leden krijgen € 6 korting.

Tentoonstelling in Buren

Tekst: Bert Gorissen

Je wereld staat stil zonder de Wegenwacht

Wegenwacht Peter schoot te hulp

De Wegenwacht is jarig! Al 80 jaar is de hulpdienst het hart van ANWB. Het geheim? Blijven vernieuwen, vooruitkijken en innoveren.

We nemen je mee langs acht innovaties die de Wegenwacht maakten tot de betrouwbare, moderne en duurzame dienst van vandaag.

Themadossier

Verdieping

De Wegenwacht:
80 jaar innovatie op de weg

Van zijspan tot elektrische fiets

Op 15 april 1946 gaat de Wegenwacht met zeven zijspanmotoren van start. Niet meteen landelijk. De motoren rijden vaste routes op de grote wegen in het westen van het land.  

En met succes: ‘Als ze ’s morgens om 8 uur uit Amsterdam vertrokken, kwamen ze pas ’s avonds om 23 uur in Den Haag. Het aantal wrakke vehikels met slechte banden was enorm’, schrijft Kampioen bij het vijfjarig bestaan van de Wegenwacht. 

Er rijden dan inmiddels dik 100 zijspanmotoren door het hele land, de Wegenwacht telt al 250.000 leden. 

1946 - Het begon op Harleys

Plannen voor de Wegenwacht zijn er al voor de oorlog, afgekeken van de Britse Automobile Association. Die verricht al jaren pechhulp met zijspanmotoren in Groot-Brittannië. 

Zo’n dienst wil ANWB ook in ons land opzetten. 

Meteen na de oorlog is de tijd er rijp voor. Er is schaarste aan alles, maar ANWB kan 25 Harley Davidson-motoren van het Canadese leger overnemen. Het plaatstaal voor de zijspannen komt van gesloopte autobussen.

Uit een test met verschillende automerken en modellen komt de Citroën 2CV naar voren als meest geschikte voertuig voor het Wegenwachtwerk. De Eend is daarmee de vervanger van de zijspanmotor.

1960 - Van drie naar vier wielen

De motor met zijspan blijft tot in de jaren 60 hét dienstvoertuig. De eerste paar jaar rijden de mannen op Harleys, vanaf begin jaren vijftig op BSA’s. 

In weer en wind, zomer en winter, bikkelen ze door het land, op weg naar pechklanten. 

De meeste wegenwachten zijn trots op dat zware werk. Ze zijn dan ook niet allemaal enthousiast als de motor vanaf 1960 geleidelijk plaatsmaakt voor de auto. Die is comfortabeler en veiliger. En overigens ook nauwelijks duurder in aanschaf en onderhoud dan de motor. Bovendien kan er veel meer gereedschap mee dan op de motor.

De Wegenwachtvoertuigen krijgen een mobilofoon, waarmee ze in contact staan met Wegenwachtstation Pauwmolen bij Delft. Het station is ook verbonden met de eerste tien praatpalen langs Rijksweg 13. Het aantal hulpverleningen vanuit Pauwmolen verdubbelt in een jaar. De wachttijd voor klanten wordt verkort tot hooguit twintig minuten. 

De praatpaal krijgt in 1977 landelijke dekking, tot dik 3000 palen eind vorige eeuw. Maar door de komst van de mobiele telefoon maakt bijna niemand er meer gebruik van. In 2017 verdwijnen ze voorgoed.

1960 - Praatpaal en mobilofoon

De communicatie tussen pechhebber en wegenwacht begint na de oorlog bijna prehistorisch: met vlaggen. 

De wegenwacht rijdt vaste routes en laat met een gele vlag langs de weg zien dat hij ‘en route’ is. Sta je met pech, dan wacht je tot hij langskomt. 

Wat later doet de telefoon, vaak bij particulieren thuis, dienst als middel om pechhulp in te schakelen. In 1960 verbetert de communicatie drastisch.

1966 - Te land en ter zee

De hulp aan voertuigen met wielen staat als een huis. Maar bij de Wegenwacht denken ze verder: wat als we eens pechhulp gaan verlenen op het water?

Voorjaar 1966 begint in het Friese merengebied een proef met de Waterwegenwacht. Bij Wegenwachtstation Joure staat een boot op een trailer, die door een Wegenwachtauto naar een plek wordt gereden waar hij te water kan.

‘Of pechhulp op het water anders is dan aan land? Ja, ik loop op gymschoenen en heb een leren gereedschapstas bij me. Met mijn stalen kist maak ik krassen op het dure houten dek…’ zegt een waterwegenwacht destijds in Kampioen. 

De proef is aanleiding om tot 1990 in het vaarseizoen (april-november) in Friesland pech- en sleephulp te blijven bieden aan gestrande pleziervaartuigen. Maar in dat jaar gaat toch de stekker eruit. De hulp op het water is te kostbaar en tijdrovend, en de belangstelling houdt niet over.

1988 - Hulp voor de deur

Tegenwoordig is het heel normaal om de Wegenwacht te appen of bellen als je auto met pech voor je huis staat. Maar dat is het pas sinds 1988, het jaar waarin de Wegenwacht Woonplaatsservice aan de dienstverlening toevoegt. 

Voor die tijd is pechhulp alleen beschikbaar buiten de bebouwde kom. De reden? ANWB wil plaatselijke garages niet voor de voet lopen. 

Maar de praktijk is dat lokale garagebedrijven maar ten dele pechhulp kunnen verlenen (al was het maar vanwege hun beperkte openingstijden). 

In 1988 besluit de Wegenwacht (tegen bijbetaling) ook pechklanten binnen de bebouwde kom te helpen. De service wordt dankbaar aanvaard door de leden: tien jaar later hebben al ruim 700.000 leden hun Wegenwachtpakket uitgebreid met Woonplaatsservice. 

2016 - Het wiel dat (bijna) altijd past

Bandenpech is een van de meest voorkomende soorten pech die de Wegenwacht dagelijks verhelpt.

Maar moderne auto’s hebben vaak geen reservewiel meer aan boord, om gewicht te besparen. De plaksetjes die ze wél hebben, werken in de praktijk niet altijd goed.

Knappe koppen bij de Britse zusterclub AA bedachten daarom het universele reservewiel, dat vanaf 2016 ook in de Wegenwachtauto’s ligt. Het past op 90 procent van alle auto’s en is bedoeld als ‘thuiskomertje’, een tijdelijke noodoplossing dus.

Dat het wiel een groot succes is, blijkt al in het eerste jaar waarin het 3500 keer gemonteerd wordt. Heb je als klant bij de garage een nieuwe band laten monteren, dan lever je het universele reservewiel weer in bij een PostNL-punt, dat het retourneert aan de Wegenwacht. 

Door het drukke stadsverkeer duurt het steeds langer om met de auto bij een pechgeval te komen. Dan is de elektrische fiets – met een aanhanger voor het gereedschap – sneller en wendbaarder. De fietswegenwachten kunnen nagenoeg dezelfde soorten pech verhelpen als hun collega’s met een auto. 

Pechklanten kijken soms wel gek op als er ineens een fiets naast hun auto staat. Na een geslaagde proef in Amsterdam en Den Haag komen er ook fietswegenwachten in Utrecht, Rotterdam, Groningen en Nijmegen.

2016 - Pechhulp op de fiets

Sinds de Wegenwacht in de jaren 60 de BSA-motoren vaarwel zei, wordt pechhulp voornamelijk op vier wielen verricht. Uitzonderingen daargelaten: de motorfiets wordt soms ingezet in de grote steden – ook nu nog. 

Maar in 2016 komt voor het eerst in het bestaan van de Wegenwacht de fiets in beeld als pechhulpvoertuig.

2026 - Op naar de 100

80 jaar en nog lang niet oud, de Wegenwacht is misschien wel de kwiekste senior van Nederland.

Hoe je zo fit oud wordt? Door te blijven bewegen en steeds vooruit te kijken naar de toekomst. Dat doet de Wegenwacht continu. 

Zo wordt het wagenpark in de komende jaren verder verduurzaamd. Op dit moment is al bijna een derde van de duizend Wegenwachtvoertuigen elektrisch. Beter voor het milieu en noodzakelijk om ook op termijn pechhulp te blijven bieden in de stadscentra. Op de meeste Wegenwachtstations in het land staan laadstations op zonnepanelen om dat groeiende elektrische wagenpark van groene stroom te voorzien. 

En op de échte verjaardag van de Wegenwacht, 15 april, opent in Utrecht het Wegenwacht techniekplein, bedoeld om alle wegenwachten voortdurend op te leiden, bij te scholen en op de hoogte te houden van de nieuwste technieken.

Zo blijft de Wegenwacht al 80 jaar jong. Op naar de 100! 

80 jaar Wegenwacht vieren we met een ­speciale tentoonstelling. Van 8 mei tot 1 november zijn historische Wegenwachtvoertuigen te zien in de hal van het Visscher Classique Museum in Buren. Het museum is open van donderdag tot en met zondag van 10 tot 17 uur. Een ticket kost normaal € 16 en geeft ook toegang tot de vaste collectie. ANWB-leden krijgen € 6 korting.

Tentoonstelling in Buren

Tekst: Bert Gorissen

Je wereld staat stil zonder de Wegenwacht

Wegenwacht Peter schoot te hulp

Kampioen digitaal

ANWB Kampioen helpt jou en Nederland sinds 1885 zorgeloos en met plezier op weg. Geniet van de mooiste reizen, beste verhalen en handigste tips. Waar en wanneer jij dat wilt. En profiteer van unieke leden-aanbiedingen en scherpe seizoensdeals.
Volledig scherm